Toen Jan Amos Komensky (Comenius) in 1623 zijn meesterwerk ‘Het Labyrint der Wereld’ schreef, stelde hij zich de wereld voor als een stad waarvan de straten de verschillende stromingen in de maatschappij vertegenwoordigen. Hoewel de afzonderlijke stromingen zich ogenschijnlijk eenduidig gedroegen, heerste in de stad wanorde en vervreemding; de mensen op het straatniveau konden de bewegingen van de andere stromingen immers niet zien. Comenius overzag ‘Het Labyrint der Wereld’ en zag daarin de chaos en de dwaasheid, maar ook de samenhang der verschillende stromingen. Zijn waarnemingen dienden hem als basis voor wetenschap, wijsheid en beslissingskracht.
 
Het vermogen om eerst waar te nemen, te observeren en langs inductieve wijze te denken, te interpreteren en daarna te begrijpen, is essentieel in Comenius’ gedachtegoed. Dit vermogen is het enige, zo stelde hij, dat het verstand kan leiden tot wijsheid en inzicht. In zijn werken onderstreepte Comenius steeds de behoefte aan geïnspireerd leiderschap, vooral in tijden van chaos en wanorde. Hij riep leidinggevenden op om afzonderlijke problemen te zien in hun onderlinge samenhang en gezamenlijk te streven naar oplossingen door overzicht en visie. Daarbij stelde hij dat “er niets op de wereld is dat een met zintuigen en verstand begiftigd mens niet zou kunnen begrijpen”.
 
Jan Amos Komensky, in 1592 geboren in het huidige Tsjechië, was zelf een schoolvoorbeeld van de ‘homo universalis’: grondlegger van de moderne pedagogiek, maar ook een uitmuntend historicus, cartograaf en linguïst. Zijn onderwijskundige ideeën vinden nog steeds wereldwijd toepassing en vormen de basis voor de Comenius Leergangen.

Terug naar boven